Steeds dichter

mauditart:

Nicolas-Henri Jacob (French, 1782–1871) - Drawing in Traité Complet De L’anatomie De L’homme by Marc-Jean Bourgery, 1839


'U kijkt, mijnheer, maar u ziet niet. Uw ogen staan open, maar machinaal, zoals een deur, of een venster.'

Mooie dag met knappe mensen. En u? Wat is uw verhaal?

De patiënte en zijn dokter

ik heb geen remedie voor de avond. desondanks, ik ben
je dokter, klaar om je lichaam in te zalven met bedrog,
want o wat wil ik het redden, het ritme van je schuins-
marcherend hart, ik de verdorven homeopaat, 
misschien ik, nu ik mijn handen leg op jou.

mondje open en ‘a’ zeggen. laat mij maar denken aan
'b' en het ongeduldig alfabet in de wachtkamer, want
vandaag kom ik jouw lichaam helen, als was het een
wereldberoemd schilderij. (dit is het ook! een complex
stuk minimalisme - arte povera, maar schoon!)

ik heb geen remedie voor mezelf - voor het trillen van
mijn handen. bij jou ben ik de chirurg met Parkinson,
een man maar niet veel meer. in jouw ogen woedt een
ziekte, een koorts, en ik bid nog elke ochtend
niet immuun te zijn voor jou.

buddhainglory:

Le soir, Marie est venue me chercher et m’a demandé si je voulais me marier avec elle. J’ai dit que cela m’était égal et que nous pourrions le faire si elle le voulait. Elle a voulu savoir alors si je l’aimais. J’ai répondu comme je l’avais déjà fait une fois, que cela ne signifiait rien mais que sans doute je ne l’aimais pas. “Pourquoi m’épouser alors?” a-t-elle dit. Je lui ai expliqué que cela n’avait aucune importance et que si elle le désirait, nous pouvions nous marier. D’ailleurs, c’était elle qui le demandait et moi je me contentais de dire oui. Elle a observé alors que le mariage était une chose grave. J’ai répondu : “Non.” Elle s’est tue un moment et elle m’a regardé en silence. Puis elle a parlé. Elle voulait simplement savoir si j’aurais accepté la même proposition venant d’une autre femme, à qui je serais attaché de la même façon. J’ai dit : “Naturellement.” Elle s’est demandé alors si elle m’aimait et moi, je ne pouvais rien savoir sur ce point. Après un autre moment de silence, elle a murmuré que j’étais bizarre, qu’elle m’aimait sans doute à cause de cela mais que peut-être un jour je la dégoûterais pour les mêmes raisons. Comme je me taisais, n’ayant rien à ajouter, elle m’a pris le bras en souriant et elle a déclaré qu’elle voulait se marier avec moi. J’ai répondu que nous le ferions dès qu’elle le voudrait. Je lui ai parlé alors de la proposition du patron et Marie m’a dit qu’elle aimerait connaître Paris. Je lui ai appris que j’y avais vécu dans un temps et elle m’a demandé comment c’était. Je lui ai dit : “C’est sale. Il y a des pigeons et des cours noires. Les gens ont la peau blanche.”
Black dress

Het is zaterdagavond, de zon versmelt met de horizon en ik zit in een vreemde tuin rond me heen te kijken. Ik heb al drie mensen zien sterven met mijn eigen ogen. Ik ben twintig, en het gras tussen mijn tenen is nog nat na de storm. Heel even denk ik aan een meisje met een zwarte jurk. Langs de randen van Canal Saint Martin lieten we onze lege fles rode wijn achter, een bescheiden bijdrage aan de glazen muur die zich ‘s winters liet optekenen onder de bolle brugjes. 

Ik was zeven toen de ijzeren long van grootvader werd losgekoppeld van het net. De blaasbalg ging nog even omhoog, stagneerde dan geleidelijk, en nam al het geluid uit de kamer met zich mee. Een deken van stilte liet zijn gewicht neerdalen over iedereen naast zijn bed. Mijn ouders hielden hem vast aan zijn schouders als een soort heliumballon. Ik kan me niet herinneren dat ik ooit mijn grootvader heb aangeraakt. Het lichaam op die berrie slechts een vreemde massa, niet langer mij vertrouwd. Het gas had zich al een weg gebaand uit de ballon.

Een jaar geleden, net na Nieuwjaar, klom Andrea op een brug, zwaaide met zijn luie glimlach en gleed dan voor de laatste keer uit. Vier keer kwam hij boven water, zonder te schreeuwen of te roepen. De vierde maal hoorde ik enkel een reutel - het geluid van een kast die versleept wordt over oude vloer, haar tanden zet in het marmer. Andrea droeg een lichtblauwe broek en een zwarte jas. Meer nog dan zijn gezicht of stem herinner ik me die vreemde combinatie.

Op een overpas bij Canal Saint Martin keken we naar de sluizen. Later zouden we nog fondue gaan eten, een man zien jongleren met vuur en wat versmelten langs de Seine. Een jongetje met een ballon zoekt zijn ouders. Het water is kalm, onverhoopt rustig. 

Nu zit ik in haar tuin. In mijn handen speelt het kleine doosje nog, lichtblauw, zwakjes transparant. Er passen drie van deze buisjes in mijn hand, maar ééntje bleek genoeg voor haar kwaal. Ik ben hier voor kleine dingen. Ik leg mijn handen op de schouders van haar moeder, al zal zij allicht niet zweven. De zwaartekracht boort ons vast in onze rouw. Gisteren stuurde ik haar zwarte jurkje naar de begrafenisondernemer. Ik hoop, zoals bij alles, dat het volstaat. 

Mijn voeten zijn nat, en nu wandel ik haar huis in; ik laat bewust mijn sporen na. Ik ben twintig, sommige mensen niet meer, anderen nooit, en dit is mijn leven - eender wat ik nu ook doe.

Nachtleven

ik zie de ogen van de mooie generatie, en hoe ze zich
matig geïnteresseerd over mijn lange lijf slepen, getergd
door eigen kwaaltjes, door hun ingebouwde grenzen;
alsof het ijs allang gesmolten is - er valt nu niets meer
te breken, denken ze.

en plots is het nacht en gutsen hun glazen over langs
de rand, lopen hun handen over elkaar, worden duo’s
één. de maan schijnt neer, de sterren dringen zichzelf
in het algemene aura van dit alles.

mijn koffie en ik kijken naar het wiegelende achterste
van een van die fata morgana’s. ik wil wakker blijven.
deze nacht laat ik niet los, ik maak mezelf een
insomniac, want ‘s nachts, tussen
deze mooie mensen, leef ik op
en voel ik de passie van
het jong zijn, alsof ik het nog was. 

Na al die jaren zie ik in de spiegel plots mezelf.
Pharmopatra

dit is de waarheid; ik brei als een seniele oude
vrouw woorden aan elkaar, laat af en toe wat
steken vallen, en gooi het resultaat onder de
ogen van al wie zien kan. ik gooi het als een 
ongewenst kind onder een trein.

ergens aan de wilgen hangt een jongeman te
wiegen - denkt u dat hij nostalgisch is naar het
schommelen? - en oh, daar ligt zij, het medicijnen-
doosje, de pharmakoningin. 

ook dit is de waarheid - sinds lang nemen mijn
blauwe ogen het over van mijn woorden. ik praat
richting mijn gezicht. alle mooie vrouwen frons ik
overboord. soms kom ik iemand tegen en dan vragen
ze mij steevast ‘ken je mij nog?’. een soort prerogatief
dementie-testje. zo gaat dat met ons.

naast mij in bed ligt een vrouw, onder mijn vrouw en
ik ligt een bed, en ik lig ergens tussen dit alles. waar
stopt dit laken? waar begint zij? en oh, waar eindig ik?

één laatste waarheid; welkom op mijn toneel, op de scène,
op de planken van de bühne. hier ben ik mezelf: waar ik een
ander ben, nog steeds in de armen van mijn Pharmopatra,
dat fossiele anker schoonheid dat mijn schip nog steeds
gestrand houdt in een stille baai.

Anoniem → Wie was je eerste liefde?

Oh, fijne vraag. Ik heb haar een soort codenaam gegeven - Clara. (Zo blijft haar privacy ook een beetje intact.) Ze was twee jaar ouder dan mij, had het mooiste zwarte haar dat in een soort golf over haar hoofd viel. Een beetje een studentenversie van Sneeuwwitje. Spontane glimlach. Speelde drums, ook. Op een bepaald moment, wanneer ik op de speelplaats stond, keek ik naar haar en dacht ik: “zou het niet mooi zijn mocht ik haar gewoon kunnen vasthouden, nu, heel eventjes?”. Vanaf dat moment was mijn enige missie tijdens de pauzes om ergens te staan waar ik haar kon zien. 

Het leuke -en ietwat goedgelovige- is dat ik dan begonnen ben met schrijven. Ik schreef gedichtjes, verhalen, zinnetjes. Het ging allemaal over haar. Ook al wist ik haar naam lange tijd niet eens. Toen ze van school ging, liet ik haar een enveloppe achter met enkele dingen die ik geschreven had. Meer niet. Ik heb haar niet meer gezien sinds dan, maar ik hoorde laatst dat ze het heel goed stelt en een hele lieve vriend heeft.

Soms denk ik nog aan haar.

(Mijn eerste beantwoorde liefde hou ik voor mezelf. Voorlopig.)

Bierkaartjes, #1

Er verandert vast nooit veel. Ze zaten met twee aan het hoveniersraampje, kortgeshort en opgetut met de zorgeloosheid van een zomer. Het linkse meisje draalt nu suggestief aan de bar, maakt met één vinger krullen in haar lokken. Ze zoekt ‘something sweet’. Ik ken deze taal. Mijn hart woont nog in dit land van magnetische attractie, oeverloos geglimlach en lichamelijkheid. Ik geef haar iets fruitig (maar vast niet wat ze wou), ze tuit haar lippen, catwalkt terug naar haar schampere vriendin.

Even later barricadeert een Amerikaanse het zicht. Ze is vastbesloten haar lijf naar voren te duwen, alle curves op te bollen en zo zichzelf in het gezicht van de wereld te gooien. Een gezicht dat, niet ten onrechte, onverschillig blijft bij zoveel overmoed. ‘I can outdrink any fraternity’, lalt ze, haar tong struikelend als een bejaarde in een marathon. Sommige dingen veranderen misschien wel.

Ik merk dat ik nog steeds glimlach. Ik maak nog steeds beloftes, maar dan vooral tegen mezelf. Een Italiaans meisje laat wat fooi achter op een bierkaartje met daarop een gsm-nummer. Het is allemaal geen avontuur meer. Ik weet dat deze carrousel bestaat uit houten paarden, en steeds dezelfde rondjes draait. 

Er verandert nooit veel. Ik mis je nog steeds. Soms plaats ik nog bloemen op je graf. Ik doe het vast te weinig. Een knap Australisch meisje komt binnen en ik glimlach zoals ik dat doe naar al wat mooi is. Ik ben toch weer verloren. Nooit is het echt anders.

Italiaans meisje met oogschaduw en een rustig moment

ik reis per trein van a naar b
en tel de straten van de steden
tot ik genoeg verzameld heb voor twee;
ik noem dit ‘mijn wereld ontleden’
als een terminaal man in een hospitaal
gebed door zijn gebreken, barst na barst

dit zwerven is een kwaal
en in jou bloedt die het hardst,
in de winters en de zomers
die ik optel in mijn hoofd
toen ik zei dat jij het mooist bent
maar jij me nooit echt hebt geloofd